Woonplaatsbeginsel

Het is de bedoeling dat het issue Woonplaatsbeginsel vanaf 2019 eenvoudiger wordt, volgens een artikel op de website van het Binnenlands Bestuur   en – zo  lezen we – op de site van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI).

Een zoektocht...

Woonplaatsbeginsel: welke gemeente is verantwoordelijk?

Het woonplaatsbeginsel bepaalt binnen de Jeugdwet welke gemeente verantwoordelijk is voor het inzetten en financieren van jeugdhulp of het uitvoeren van een jeugdreclasserings- of jeugdbeschermingsmaatregel. De huidige definitie houdt in dat de gemeente waarin de feitelijke woonplaats van de ouder met gezag ligt, verantwoordelijk is. Wanneer het gezag bij een gecertificeerde instelling ligt (zoals in Noord Nederland bij bijvoorbeeld Jeugdbescherming Noord, de William Schrikker Groep of het Leger des Heils), is de woonplaats van de cliënt binnen de definitie van het woonplaatsbeginsel leidend.

Het werd tijd voor aanpassing. De regels zijn nu helder (maar complex), en de landelijke afspraken worden niet altijd opgevolgd. Lees de volgende casus om vast te stellen dat het huidige woonplaatsbeginsel voor zorgaanbieders op dit moment best ingewikkeld is.

De feiten op een rij

Cliënt woont bij zorginstelling in gemeente A (provincie Groningen), maar is verhuisd naar zorgaanbieder in Drenthe (gemeente B). Moeder heeft het gezag, en woonde in gemeente C (ook provincie Groningen). Moeder blijkt zich echter uit de basisregistratie persoonsgegevens (BRP) te hebben uitgeschreven, maar heeft zich vervolgens nergens anders ingeschreven.

Het woonplaatsbeginsel

Totdat moeder zich uitschreef, was het Groningse C. verantwoordelijk, daar woonde ‘de gezagsdrager’ immers. Daar moeders huidige woonplaats onbekend is, is volgens het stappenplan de huidige woonplaats van de cliënt verantwoordelijk, gemeente A. Gelukkig ook Groningen, dat

Overzichtelijk, maar complex

Het huidige stappenplan

scheelt.

We hoeven in het meest positieve geval ‘alleen maar’ de beschikking (met dezelfde productcodes, als beide zorgaanbieders voor dezelfde producten gecontracteerd zijn tenminste) binnen het berichtenverkeer ‘administratief te verhuizen’ van C naar A middels een ‘iJW315’ en de gemeente hoeft er ‘alleen maar’ een andere zorgaanbieder aan te hangen (los van de berichten ‘316’, de ‘301’, gevolgd door een ‘302’, de ‘305’ – start zorg-  gevolgd door een ‘306’ en de nieuwe declaratie 303-D gevolgd door een 304). In dit geval gebeurt de administratieve verhuizing overigens in bijzonder goed overleg met beide gemeenten. Er zijn ook gemeenten die de beschikking bij wijziging gezag tegen de landelijke afspraken in gewoon stopzetten en het de gecertificeerde instelling en de zorgaanbieder verder zelf op willen laten lossen, en zó abrupt dat we de geleverde zorg voor de jeugdhulpaanbieder na stopzetting van de indicatie nergens meer kunnen declareren. Maar dat is weer een ander verhaal…

Het probleem

Als cliënt zich op termijn, en dat is na een tijdje verplicht, van gemeente A in Groningen in laat schrijven bij gemeente B in Drenthe, gaan we als ‘contractpartner’ weer aan de puzzel. Want: andere aanbesteding, ander product, andere indicatie. Gemeente C, zo weten we inmiddels, is niet altijd even makkelijk met het afgeven van indicaties, en doet moeilijk over een stapeling van producten ‘verblijf’ in combinatie met individuele begeleiding. Want hoewel de aanbestedingsdocumenten van gemeente B aangeven dat ‘interventieniveau 8’ (verblijf) gestapeld kan worden met lagere interventieniveaus (zoals begeleiding en dagbesteding), beweren ze in de praktijk dat het tarief ‘gezinshuis’ in 8 voldoende moet zijn en dat er niet gestapeld mag worden. Dit is ons inziens een wezenlijke wijziging van de aanbesteding. Nog los van het feit dat gemeente zich er daarbij kennelijk niet van bewust is dat er verschillende vormen van ‘gezinshuizen’ zijn; daar waar gezinshuisouders een aantal kinderen in zorg nemen, of de zogeheten ‘gezinshuizen’ met 24 uur personeel – soms met heel intensieve begeleiding en zonder dat ‘gezinshuisouders’ op de locatie wonen – die tegemoet komen aan een hogere zorgvraag dan andere ‘gezinshuiskinderen’.

Het gevolg

Dit wordt, zo voel ik nu al aankomen, weer een patstelling, een strijd. Want deze gemeente B. negeert de Bepaling Jeugdhulp van een gecertificeerde instelling (een erkende verwijzer binnen de Jeugdwet) om vervolgens tegen hun eigen eerder beschreven spelregels in het inkoopdocument in, plots een heel andere koers te varen. Daarbij, de beschikking uit Groningen kan niet zo maar ‘worden overgenomen’ door Drenthe, het zijn geheel andere producten met heel andere tarieven.

De wijziging

De bedoeling van Van Rijn is als volgt: Gaat het om jeugdhulp met verblijf, dan komt de verantwoordelijkheid binnen de nieuwe definitie van het woonplaatsbeginsel te liggen bij de gemeente waar het kind woonde voordat sprake was van verblijf.

Dat is fijn. Dan melden we ons voor betreffende cliënt – als dat te zijner tijd de bedoeling is- in januari 2019 weer bij gemeente C. De voorgenomen wijziging zou het ons (of lees liever: de zorgaanbieder) bij nieuwe ‘verhuizingen’ wel makkelijker maken. In bovenstaande casus hoeven we niet meer te onderzoeken of we ons dienen te melden bij A, B of C. We hoeven het slechts te houden bij C. Tot 18e levensjaar. Want daarna gelden de regels van de WMO, en die zijn wéér anders.

Dit is een van de vele puzzels, waar we ons voor onze klanten graag in vastbijten. Voor zorgaanbieders, en zeker de kleinschalige – die geen beleidsmedewerkers hebben die dit van voor naar achter uit kunnen zoeken, die vigerende wet- en regelgeving kennen, en die ook nog weten hoe de contracten in Groningen, Friesland en Drenthe in elkaar zitten, en bij welke gemeente je welke productcodes declareert, en of dit vaste maandbedragen zijn of tarieven in minuten, uren of dagdelen, een summiere opsomming – is het een crime om het hele circus van aanbesteding tot berichtenverkeer te snappen, te volgen en te weten wie je waar moet hebben voor welk probleem.

We gaan altijd uit van eigen kracht. Het zou zelfs zo moeten zijn dat we onszelf op termijn overbodig maken, dat is ons streven. Maar daar is nog een lange weg te gaan: zolang elke gemeente het anders doet, en wetgeving blijft wijzigen, ben ik bang dat we – spijtig genoeg – nog wel even nodig zijn…

Lees meer:

Van Rijn: minder regels en meer tijd voor jeugdhulp

Impactanalyse oplossingsrichtingen woonplaatsbeginsel


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

2 × 5 =